Novelle

     hoofdstuk 1 & 2

Voorwoord

Hoe zeg ik in een voorwoord iets wat ik liever weglaat en toch gezegd wil hebben?

Het is een dilemma. Maar ik hou vol, want tegen het einde van deze proloog ben ik eruit.

De aarzeling zit hem erin dat ik je misschien op het verkeerde been zet. Je zou zomaar kunnen denken dat deze novelle gaat over iets waar het niet over gaat. Toch zit dat iets er stiekem een beetje in. Een klein beetje. Echt een heel klein beetje.

 

Met dat iets verwijs ik naar mijn moeder. Ze is in het jaar 2000 gestorven omdat haar bestaan onleefbaar gemaakt was door de meest beruchte ex-neuroloog van Nederland.

De handel en wandel van deze uit zijn ambt ontheven specialist is uitgebreid uit de doeken gedaan tijdens de grootste medische strafzaak ooit.

Na haar dood raakte mijn beginnende schrijfcarrière volledig in het slop. Waar ik voorheen lichte stukjes schreef, zat ik nu klem in de zwaarte. Uiteindelijk, jaren later, werd de aandrang te groot; er zat veel in mijn hoofd dat eruit wilde. Nog eens jaren had ik nodig om de combinatie van fictie en feiten die je nu in handen hebt, naar tevredenheid af te ronden.

 

In mijn zoektocht naar een uitgever werd er weleens gezegd: waarom schrijf je niet over wat er met je moeder gebeurd is? Dan heb je de uitgevers voor het kiezen. Los van het feit dat me dit geen goede reden leek om over mijn moeder te schrijven, lukte het gewoon niet. Ik zat te dicht op het drama, het werd kitsch.

 

Daarentegen voegde mijn moeder zich heel gemakkelijk in Buikschuif. En zo heeft haar situatie een vanzelfsprekend en bescheiden plekje gekregen. Ze was een bescheiden vrouw. Niet mijn favoriete formulering, maar ze klopt wel.

Dus al gaat deze novelle niet over haar, ze is er toch mee verweven. Heel soms zul je haar onversleuteld tegenkomen in een zin, een opmerking, een passage.

Als een stukje glas in omgespitte aarde waar af en toe het licht op valt.

                                                         Hoofdstuk 1

                                                              Bosrondje

Beste Fred,

 

Bedankt voor het recept. Ik snapte het alleen niet. Ik had gevraagd om Trazolan en je gaf me een recept voor Trilafon. Ik twijfel niet aan je kennis over medicijnen, maar volgens mij haal je ze een beetje door elkaar. Ik durf het middel niet in te nemen. Is het echt geen optie om van de Seroxat over te stappen op Trazolan? Kunnen we het hier over hebben? Ik vind het moeilijk om steeds een beroep op je te doen en kan me voorstellen dat mijn overgevoeligheid voor medicatie jou als psychiater ook de nodige bijwerkingen bezorgt. Hoe dan ook, ik denk dat Trazolan voor mij een beter middel is.

Graag zou ik mijn intuïtie in deze een kans willen geven. Als dat niet werkt kun je altijd nog zeggen dat ik eigenwijs ben en er geen verstand van heb. Van de verpleegkundige mocht ik je mailen. Ik hoop dat je dit niet vervelend vindt.

Vriendelijke groet, Jona.

 

In het weekend moeten we van de afdeling af, naar huis. Voor twee dagen is dat goed te doen. Eergisteren liep ik 's nachts door de stad. Het regende, er zoefde een auto langs.

 

Banden op het vochtig wegdek

banden stranden op het zand

banden breek na lang verbonden

banden binden vast de gek.

 

 

Bij de vestingwallen aangekomen leunde ik tegen de reling met een meter of vijf daaronder de rivier.

Oude bomen achter mij, wier bladeren ritselden en ruisten.

Ik kon het niet laten om even aan een stam te voelen en al wist ik niet wat voor boom het was, ik hoopte op een beetje healing.

De bladeren ritselden harder:

'Er zit weer een bomenfluisteraar aan mijn stam te voelen Sjors!'

'Stuur maar door, ik ben net in de stemming voor een paar handjes.'

'Op deze ijspegels zit je niet te wachten. Waarom moeten ze altijd mij hebben.'

'Omdat je de dikste stam hebt, dat trekt aan.'

 

Of je het gelooft of niet

stammen zwammen regelmatig

slechts van boven doen ze statig

in de grond zit het verdriet.

Het is rustig op de afdeling. David komt na een bescheiden klopje mijn kamer binnen en laat zich zakken in de stoel bij het raam. Hij gluurt zo onopvallend mogelijk naar mijn beeldscherm.

'Alles goed hier?'

'Zeker. Ik ben net aan het schrijven dat jij binnenkomt.'

'Mag ik het ..'

'Dat willen schrijvers nooit. Je zult moeten wachten tot het af is.'

'Dus ik kom er ook in voor?'

'Een klein beetje maar. Tenzij je dat niet wilt.'

'Jawel.' Hij krabt eens stevig in zijn kruis. 'Als je maar geen gekke dingen over me schrijft.'

'Nee hoor. Ik zou niet weten wat.'

'Het is lekker buiten, ga je mee eindje lopen.'

Mmm. Eindje lopen ….

'Oké.'

 

 

David is een gevoelige man met een overzichtelijke hobby waar hij verder heel geheimzinnig over doet. Verder is hij niet vreemder dan ik, hij heeft zijn specialisaties.

Elke keer als zijn mobiel afgaat verstijft hij in zijn handeling, welke handeling dan ook en blijft daarin volharden tot het weer stil is.

'Waarom zet je hem niet uit,' vroeg ik eens.

'Ik moet toch bereikbaar zijn?' antwoordde hij.

 

We lopen het bosrondje. Andere rondjes zijn er eigenlijk niet.

Er zijn gelukkig veel variaties op het rondje. Het kleine rondje. Het grote rondje.

Het medium rondje. Het medium rondje plus bonus. Dat is inclusief een uitstapje door een gat in het hekwerk, waarbij je een klein beetje de buikschuif moet doen om er onderdoor te komen. We kunnen er ook komen door gewoon om te lopen, maar aangezien we permanent op de vlucht zijn voor iets, sluit dit beter aan bij onze belevingswereld.

Tussen de beuken pauzeren we even. We gaan er bij zitten, David draait een shaggie.

Hij leunt achterover en kijkt me met toegeknepen ogen aan terwijl hij langzaam de rook uitblaast.

Ik kijk graag naar hoe hij rookt, op de één of andere manier weet hij er iets aantrekkelijks van te maken.

'Ga je morgen ook naar …'

'Dat ben ik wel van plan.'

'Vind je het goed als ik …'

'Geen probleem.'

Hij heeft de gewoonte vragen half te stellen.

Het is zacht buiten, ergens in de verte roffelt een specht.

David dooft zijn peuk tussen de wortels van de beuk waar hij tegen aanleunt.

We zitten hier vrij vaak en ik hoop dat de beuk geen nicotinevergiftiging oploopt. Of een verslaving, stel je voor. In gedachten zie ik hoe de boom om een shaggie begint te jengelen.

Ik vertel het hem en we moeten er samen om lachen. We staren veel voor ons uit.

En soms heel even naar elkaar.

'Weet je ..'

Ik spring met een gil overeind, begin woest van me af te slaan en op en neer te springen.

'Wat is er!'

'Een spin, een spin, er zat een spin op mijn been … '

'Ja, jezus, je zit in het bos!'

'Nou en!'

'Het is maar een spin, die doet niets ..'

Daarover ga ik al lang niet meer in discussie. Een spinnenfobie is alleen te begrijpen door degene die er aan lijdt.

Ik ga weer zitten.

'Wat wilde je zeggen?'

'Wilde ik wat zeggen?'

Hij draait een nieuw shaggie.

David buigt zich er lang en diep overheen, zijn aansteker hapert.

Het begint te waaien.

We hebben alle tijd.

Tijdens de warme maaltijd zit Davids kamergenoot Jasper boven zijn bord te snuiven.

Hij heeft last van een chronisch verstopte neus. Uit alle macht probeert hij met dichte mond te eten en toch iets van lucht binnen te krijgen.

Ik probeer het te negeren, maar dat is niet mijn sterkste kant.

Stel je voor, een leven zonder voedsel. Geen eetgeluiden, nooit meer: koken, afwassen, darmproblemen, knoflookadem, wereldvoedselprobleem, maanzaad tussen je tanden.

Ook al zullen er daardoor heel veel beroepen verdwijnen, toch komt er niemand om van de honger.

Wat zullen we een tijd overhouden. En wat gaan we doen met al die tijd.

Er kleven vast nadelen aan, maar ik krijg ze niet bedacht.

Sushi pasta balkenbrij

'k wil de mensheid graag bevrijden

als er niemand hoeft te eten

is het einde slavernij.

Er is een nieuwe patiënte gearriveerd. Een ronde vrouw met heel veel omhooggestoken haar en een gelukzalige glimlach om haar bloedrode lippen. Ze stapt onze huiskamer binnen terwijl ik net even rustig de krant zit te lezen. 'Oh ... wat is het hier práchtig ... kijk nou, al die kleuren en vormen en het licht valt hier zo mooi .. vindt u ook niet?'

Dit tot Cees, de verpleegkundige die zo vergroeid is met deze plek dat hij regelmatig voor patiënt wordt aangezien. Cees knikt en trekt aan zijn snor.

Ze vervolgt: 'Ik ben zo dankbaar dat ik hier mag zijn. Al die lieve mensen die voor me klaarstaan en het ruikt hier nog zo heerlijk naar eten. Hebben jullie lekker gegeten? Laat me raden .. kerrie?

Iets met kerrie? Dat ik hier zomaar mag zijn en ook nog een bordje eten krijg. Prachtig ... prachtig .. zo mooi ...' Ze knikt ons allemaal stralend toe:

'Dag lieve mensen, ik heet Josefien en ben al 30 jaar heel gelukkig getrouwd. Als mijn man op bezoek komt mogen jullie hem allemaal een hand geven, maar niet voordat jullie zijn naam geraden hebben. Als ik dadelijk terugkom kunnen jullie de briefjes bij me inleveren, leuk hè, we gaan het heel gezellig hebben.'

Ze hobbelt verder achter Cees aan. Dat kan nog wat worden. Blijkbaar net niet ontremd genoeg om haar op de besloten afdeling te plaatsen. Dus nou zitten wij ermee.

Dertig jaar gelukkig getrouwd.

Met een beetje pech gaat ze verslag doen vanaf de eerste dag. Ik zucht en leg mijn hoofd op mijn armen.

Ik ben vriendjes met de nacht

in het duister ligt mijn kracht

bij het breken van de ochtend

voel ik mij verlept verloren

het licht dat kloterige licht

heeft mij alweer niet uitverkoren.

 

Mijn kamergenote Wanda snurkt. Ze heeft oordopjes in omdat ze geen enkel geluid van buitenaf kan verdragen (alleen als ze slaapt, zo idioot is ze nu ook weer niet).

Het is alweer even geleden dat ik erom kon lachen.

Wanda maakt zich zorgen omdat haar gesnurk mij langzaam begint uit te putten.

Ze vreest het moment waarop ik haar vanuit de ontoerekeningsvatbaarheid die slapeloosheid met zich meebrengt zal smoren met een dik kussen.

Ik verzeker haar dat het met een dun kussen ook lukt. Waarop ze voorstelt om zelf een nachtje in het kamertje voor noodgevallen te slapen, zodat ik bij kan tanken.

Dat is een kamertje met een uitklapbaar bed. Door die kamer loopt een indrukwekkende buis, de hoofdader van het ventilatiesysteem. Het geluid dat dit systeem produceert zou ik kunnen beschrijven, ware het niet dat ik even door mijn superlatieven heen ben.

Wanda slaapt overal. Hard bed, zacht bed, geen bed, boven op de radiator. Als ze maar oordoppen heeft. Zodra ze het dekseltje van de ohropax ziet begint ze te gapen.

Maar onze oplossing wordt niet goedgekeurd door de verpleegkundige en onze kostschool-instincten worden wakker. We smoezen bozig op onze bedden, nog net niet in roze pyjamaatjes.

'Wat denkt dat mens, alsof we niet weten wat goed voor ons is. Weet je wat, we doen het toch.' (lekker puh).

Zodra de nachtwacht geweest is proppen we Wanda’s beddengoed onder onze armen.

Ik steek mijn hoofd om de deur. De gangen zijn leeg. 'Cover me ...' fluistert ze.

'Go go go ....'

Wanda rent naar de overkant en glipt de pantry in. Onderweg verliest ze een teenslipper, ze draagt teenslippers met dikke witte sokken aan. Ik krijg de slappe lach. Soms, heel soms, is het leven leuk.

De volgende dag duurt lang. Er valt een therapie uit, we moeten ons zelf zien te vermaken. Dat betekent voor de helft van de groep terug het bed in.

Ik loop naar de andere kant van het ziekenhuis, richting hoofdingang. Steek mijn hoofd om de hoek van de wachtkamer. Alle wachtende hoofden heffen zich.

'Mevrouw Hasselton?'

De aanwezigen kijken elkaar aan. Wie o wie zou mevrouw Hasselton zijn.

Niemand natuurlijk.

'Geen mevrouw Hasselton? O.K. Meneer Prins is er nog niet zie ik. Nou, heb ik het even rustig vandaag!'

Mijn favoriete tussendoortje. Behandelaar zijn in plaats van patiënt. Doen alsof ik in staat ben anderen te helpen geeft een energie boost. Ik kan het niet te vaak doen.

Er zat een keer iemand in de wachtkamer die er de vorige keer ook zat, dus toen moest ik improviseren. Gelukkig staat er een koffieautomaat in de hoek. Ik liet een bekertje vollopen en vroeg of ik iemand kon trakteren. Twee mensen blij gemaakt. Who needs therapie.

 

Ik durf met mijn hand op mijn hart te verklaren: Ze weten het niet. Ze zijn verplicht zinnen zwart op wit te zetten en ze weten het niet, ook al denken ze het te weten.

Ik ben een prematuur in de menopauze, een gothic met een hockeystick, de koning in een Deux Chevaux. Het kan niet, maar ik ben het. Ik herken me niet in een bestaande diagnose en het is de vraag of dat wat over de diagnose zegt of over mij.

Desondanks kan ik boodschappen doen in de supermarkt zonder dat iemand aanstoot neemt aan mij. Als de cassière een klant geholpen heeft die zich een beetje vreemd gedraagt kijkt ze opgelucht naar mij en zoekt steun bij me omdat ik er zo voorkomend en bekwaam uitzie. Ik knik haar invoelend toe, schud meewarig mijn hoofd.

Daar sta ik dan een tijdje zo normaal te zijn dat zelfs de Blokker me niet in zijn schappen zou willen hebben. Zie daar maar eens een passend psychiatrisch profiel op los te laten.

Ik neem het ze niet kwalijk. Zijn wij niet allen zoekende?

 

Ergens in mijn brakke brein

ligt de basis van mijn gekte

wellicht een hersencel die lekte

het gevolg is wat minder klein.

 

Badmintonnen was weer lekker. Ik heb me erg uitgesloofd. Ook met mijn linkerhand gespeeld en achterstevoren geslagen. Veel medepatiënten houden van basketbal.

Op zich al een reden om opgenomen te worden. Ze rennen zich suf om die bal in dat netje te krijgen.

Ze doen alles om de bal in handen te krijgen en nog meer om er weer vanaf te komen.

Ik zie overeenkomsten met mijn relaties.

Psychologisch kan ik het begrijpen. Het is een spel waarbij de bal centraal staat. Er is maar één bal en er zijn veel spelers dus als je de bal in handen hebt ben je voor een paar seconden of meer het belangrijkste van iedereen. Dat geeft zo’n kick dat als je ook nog iets goeds met die bal weet te doen, je in de buurt van een hoogtepunt komt. Hoe vaker, hoe beter, het moment is nog niet voorbij of je streeft alweer naar het volgende.

Als je het verprutst hebt is dat zo ellendig dat je er alles aan doet om te laten zien dat je het wel kan.

Ook dan is het belangrijk om de bal zo snel mogelijk weer in eigen handen te krijgen. En toch heet het een teamsport, maar dat komt omdat het volkomen legaal is om met zijn allen aan je eigen hoogtepunt te werken. Het is een dekmantel.

Het zal niemand verbazen dat je daar heel moe van wordt. Vuurrode hoofden, gierende ademhaling versus lijkbleke gezichten en trillende benen. Het is niet zozeer de vraag óf er iemand tegen de vlakte zal gaan, maar wanneer.

De sporttherapeute vermaant ons van te voren: 'Willen degenen die medicijnen slikken ervoor zorgen op tijd te stoppen?'

 

Laat ik me eens proberen te verplaatsen in iemand die wel van basketbal houdt:

Een fictief depressieve man die niet zoveel gegeten heeft. Hij was al niet zo’n eter en sinds het leven hem niet meer interesseert, alles naar breikatoen smaakt, is hij nog dunner geworden dan hij in aanleg al was. Bewegen doet hij ook weinig. Dus hij zit een beetje op de bank, veegt de vloer als hij corvee heeft, tekent galgjes, drinkt liters koffie en klemt zich vast aan het enige dat hem van de ene seconde naar de andere helpt: De sigaret.

Hij slikt veel medicijnen, zo’n drie soorten. Iets tegen psychoses, iets tegen depressies en iets tegen de bijwerkingen, wat ook weer bijwerkingen heeft. Daar staat hij wat raar van op zijn benen. Vroeger was hij dol op sport. Hij heeft echt heel veel gesport, vooral basketbal.

Hij was de kleinste maar piepte overal tussendoor en had een worp, nog strakker dan de facelift van Madonna. Wat een tijd was dat. Als hij daaraan terugdenkt .. hij zag er echt goed uit toen.

Hé, tof, ze doen aan basketbal hier. Dat is lang geleden. Zou hij het nog kunnen? Maakt het uit, moet je zien hoe iedereen eraan toe is. Hij gaat ervoor. Wat heeft hij te verliezen ...

 

Hij voelt weer de levensvonk van vroeger en galoppeert als een wild paard door de sportzaal.

Vier keer gaat hij tegen de grond voordat de sporttherapeute ingrijpt. Op tijd stoppen? Op welk moment had hij daaraan moeten denken. Op het moment dat hij eindelijk even niet dacht?

Fred zit er relaxed bij. Ik weet hoe druk psychiaters het hebben. Hij zal wel aan mindfulness doen. Er is een tekort aan psychiaters en dat lijkt me logisch.

Het is een specialisatie die om een bepaald empathisch vermogen vraagt en de meeste mannelijke specialisten hebben autistische trekken, wat ze vooral geschikt maakt om met scalpels in lichamen te snijden of implantaten te boetseren.

Hoe aantrekkelijk kan het zijn voor specialisten van welk geslacht ook, om je dag in dag uit in het zwarte gat van andermans ellende te storten. Het mag dan goed betalen, dat doen kunstknieën ook en die zijn tenminste niet bipolair.  

Niemand wil hier naartoe, maar eenmaal ingeburgerd wil niemand meer weg. Zes weken zit ik hier nu. Wat mij betreft wordt het zes jaar.

En dan zit ik opeens tegenover Fred die zegt: 'Zo Jona, zie je het al zitten om af te bouwen.'

'Af te bouwen? Ik slik bijna niks! Laatst zei je nog dat dat ik me geen zorgen hoef te maken over die tien milligram oxazepam omdat het .. omdat ik .. hoe zei je het ook alweer?'

'Omdat je jezelf veel te goed in de gaten houdt.'

'Ja, dat zei je.'

'Maar ik heb het niet over je medicatie. Ik dacht meer aan het toewerken naar ontslag. Heb je daar al bij stilgestaan?'

Ik snap er helemaal niets van. Hoe komt hij daar nu bij. En dan nog …. ik wóón hier toch?

'Want voor je het weet heb je het idee dat je hier woont en dat is natuurlijk niet de bedoeling.'

Even denken, wat zijn de opties. Ik kan gaan schreeuwen en zijn vulpen inslikken (misschien alleen de dop) dat is zeker goed voor nog drie weken. Ik kan gaan huilen, maar dat is hier net zo normaal als ademhalen en ik kan niks doen.

Ik doe niks.

Hij glimlacht geruststellend. 'Geen paniek. We doen niets overhaast. En we regelen goede nazorg. Volgend weekend maken we er een lang weekend van. Een dag extra thuis. Kijken wat dat doet met je. Je wilt hier toch niet oud worden?'

Ik wil nergens oud worden.

 

In mijn derde nacht thuis schrik ik wakker van de telefoon. Ik weet zeker dat ik de telefoon hoorde, maar het blijft stil. Geen vermelding op de display. Er is niet gebeld. En toch heb ik het gehoord.

Daarom neem ik de hoorn op. 'Hallo?'

Geen ruis. Geen gefluister. Doodse stilte. Het is zelden stil in mijn huis.

Altijd zijn er geluiden, ook ’s nachts. Stemmen van buren die hun dag/nacht ritme omgedraaid hebben. Muziek. Televisie. Dingen die tegen elkaar aan bonken of ergens vanaf vallen. Een vage piep of suizen.

Ik besef hoe erg ik verlang naar stilte. Desnoods via de telefoon. Stilte heeft een klank.

 

'Stiltetherapie?' vraagt Fred een week later.

‘Ja, bestaat dat niet?'

'Daar heb je ons toch niet voor nodig. Je zoekt gewoon een stil plekje op.'

'Ik heb ook al een plekje in gedachten, toevallig. In dit gebouw.'

Fred gymt wat met zijn wenkbrauwen.

'Je bedoelt toch niet ..'

'Waarom niet, hij wordt nauwelijks gebruikt.'

'Je zult met een hele goede motivatie moeten komen.'

'Dat zeg ik. Hij wordt nauwelijks gebruikt.'

 

 

Geen plek meer in mijn systeem

vol afgesloten kamers

zou je willen wonen in dit

kraakpand zonder stromend water

ik tel mijn ribben en

weet me bijna thuis

vastgebonden aan de spijlen

(waarom, alsof nog kracht voor verzet)

ben niet aanwezig bij dit geweld

mijn geest is weg ze porren

in een verlaten lichaam

ik ben vrij, vrij, vrij

de ratten hier hebben nooit lang honger.

 

Ik mocht ondanks dit blije gedicht niet in de separeer. 'Ga maar verder dichten, dat is veel gezonder. Je bent goed bezig. Alleen die ratten lijken me een beetje overdone.'

 

Fred heeft een ingewikkelde ontslagbrief geschreven en ik bedank hem voor zijn betrokken inzet. Als ik aardig doe mag ik misschien nog eens terugkomen. Voorlopig blijft het bij een keer in de vier weken voor een gesprek met hem. Om mijn proces te bewaken.

David brengt me naar de bushalte. 'Wat ga je doen als je weer thuis bent?'

Daar heb ik over nagedacht. 'Ik ga een kattenuitlaatservice opzetten voor katten die

niet naar buiten mogen.'

Hij grijnst. 'Dat klinkt goed.'

Als de bus arriveert aai ik hem in een impuls over zijn gezicht. We schrikken er allebei een beetje van en ik schakel over op algemeenheden.

'Nou, tot ziens. We kunnen bellen. En je mag altijd langskomen.'

In de bus loop ik naar achteren waardoor ik hem nog lang zie staan, roerloos.

Zijn haren wapperen in de wind. De weg maakt een bocht en dat was het dan.

Ik ben alleen en bang. Maar niet gek. Dus ik zal het ermee moeten doen.

                                                                   Hoofdstuk 2 

                                                                  Toverbal

Na alles wat ik gedaan heb om mezelf te genezen, luidt de eindconclusie: Niets helpt. Deze verpletterende waarheid (ik ben er niet zeker van of waarheden horen te verpletteren) heeft tijd nodig om in te dalen. Wacht even. Helpt Niets? Waar vind ik Niets. Ik laat mij graag door Niets helpen.

Jammer dat ik twintig jaar naar Iets op zoek ben geweest en dat het Niets moest zijn. 'Hallo Niets, manifesteer je. Laat mij je channel zijn, oh Grote Niets.' Ik sluit mijn ogen om me te concentreren en voel niets. Het gaat dus prima. Niets aan de hand. Wat een succes. Ik hoef geen kaars te ontsteken, geen hymne te prevelen, alles is nog hetzelfde. Maar wat maakt het uit. Het is Niets.

Het is wel april, acht uur ‘s morgens. Ik ben wakker en koester me onder het dekbed.

Ik dommel weer een beetje in.

Als de buurman met zijn ochtendsessie op de klavecimbel begint is het tijd om op te staan. Zo langzaam mogelijk rek ik me uit. De overgang van een horizontaal naar verticaal leven is bij mij geen vloeiend proces. Ik moet het op wilskracht doen en die heeft voor negenen een trage polsslag.

Ik heb bijna helemaal geen polsslag meer als ik op de rand van het voeteneinde van mijn bed een bol wezentje zie zitten. Het wezen is ongeveer dertig centimeter hoog en zit roerloos naar me te kijken. Ik kijk terug. De wereld om me heen staat stil.

Draaiorgel onder mijn raam? Ik zal het niet registreren.

Mijn vernauwde bewustzijn zoemt in op details. Hij heeft een vriendelijke uitstraling, weeïge oogopslag. De huid lijkt van fluwelige pasteltinten en verandert continue van kleur. Een soort toverbal. Hij knippert met lange wimpers en blijft me onschuldig aanstaren.

Wat nu? Ik krijg nooit bezoek vanuit andere dimensies. Niet eerder heeft een entiteit de moeite genomen zich voor mij te materialiseren. Wat ik altijd jammer gevonden heb, want het valt niet mee om levenslang op aarde te moeten ronddolen, verbannen van mijn thuisplaneet.

Ik zie ik zie wat

jij niet ziet

en heb het steeds

geweten

eindelijk word ik

afgelost ze zijn me

niet vergeten.

 

Hij maakt een diepe buiging en verbreekt de stilte. 'Ik ben niet wat je denkt.'

Alsof ik nog denk.

'Waar ik vandaan kom ..' (hij wappert met een zakdoekje dat er net niet was) '.. daar ruikt het heel anders. Ik verdraag maar weinig luchtjes.'

Mag ik wakker worden? Ik moet wakker worden.

Hij tuurt aandachtig naar een vage vlek in het plafond.

'Maaarrrrrrr … Ben je al een beetje aan me gewend?'

'Nee! Ga weg!'

Jammerend duik ik onder het dekbed.

Geen goed idee als je aan het hyperventileren bent.

Met uitpuilende ogen gooi ik het dekbed weer van me af.

Hij is weg.

Ik staar wezenloos voor me uit. Kijk voor de zekerheid nog even onder mijn bed. Neem iets tegen de bonkende hoofdpijn. Bel de dokter: 'Toets een voor spoed, toets twee voor de praktijkverpleegkundige, toets drie voor de assistente, toets vier voor een herhaal …'

Ik toets één.

En leg de hoorn snel neer.

Fred. Ik moet Fred hebben.

Een congres. Of was het een symposium. Maakt niet uit. Fred is er niet want hij heeft iets wat academici wel vaker hebben. Een congres dus, of een symposium. In mijn behoefte aan houvast probeer ik zijn secretaresse aan het lijntje te houden. Ik weet het gesprek vijf minuten te rekken maar dan poeiert ze me af. Misschien moet ik me niet zo druk maken. Zolang het wezen me niet beveelt om rookworsten van de Hema te injecteren met cyanide kan het geen kwaad toch?

Rusteloos laat ik mijn blik door de boekenkast glijden.

Literaire ondersteuning wil soms helpen, eens even zien. De Vogelgids van Europa? Pinkeltje en de ijsheks? Een ongewoon gesprek met God? Ongewoon was het zeker. Maar God? Die kijkt wel uit.

Er staat mij een heel lang leven te wachten met eindeloze kwalen waar je niet dood aan gaat en als ik dan eindelijk op mijn honderd en tiende uitgemergeld omval en mijn hersenen het bewustzijn en de omvang van een gedroogde druif hebben, pas dan zal God het aandurven om mij tot zijn domeinen toe te laten voor een zo kort mogelijke review.

Ik zak achter mijn laptop. David. Ik ga David mailen. Kijken wat hij ervan vindt.

Lieve Jona,

Wat een verhaal. Ik ben er bijna jaloers op. Vroeger had ik een onzichtbaar vriendje. Mazzel dat je de jouwe nog hebt. Sinds jij weg bent is het hier ingekakt.

Ben niet zo van het antwoorden, maar mail me zo vaak als je wilt. Dat vind ik fijn. Ik lees het altijd.

Liefs David.

ps: lukt het een beetje met daten?

Een vriendje? Zo had ik het nog niet bekeken. Hoe heet zoiets ook alweer.

Struinend over internet stuit ik op een artikel waarin gerept wordt over imaginaire vrienden bij volwassenen. Tja. Allereerst is mijn imaginaire vriend zichtbaar. Voor mij dan.

Verder komen de besproken voorbeelden niet onaangekondigd binnenvallen.

Toch doet de gedachte me goed. Een vriendje.

Dat klinkt toegankelijk.

En hij is nog van een handzaam formaat ook.

Het was een kortstondig probeersel, de datingsite. Bedoeld om de focus te verleggen.

Want ik heb gevoelens voor een man die soms passeert tijdens mijn ommetje voor het slapengaan.

We maakten kennis op het moment dat ik in iets zachts stapte toen hij langsliep.

'Gadverdamme, shit,' riep ik.

Hij zei dat het niet van zijn hond afkomstig kon zijn. Die kreeg alleen maar pens te eten en daar kreeg je mooie droge keutels van.

Einde conversatie en geen opmaat voor een onstuimig samenzijn.

Misschien moet ik het ook proberen, pens. Een reukvrije variant die ik intraveneus kan toedienen. In mijn dossier staat namelijk de term ongedifferentieerde somatoforme stoornis.

Dat is een aangepaste formulering voor de lichamelijke gevolgen van een overdosis shit.

Sinds die avond groeten we elkaar beleefd.

Ik weet waar hij woont. Hij heeft een sensuele mond. Ik heb al lang niet meer gevreeën.

Hij heeft geen beschikbare uitstraling.

Wie is zijn vriendin en waarom laat zij nooit de hond uit?

Vanzelfsprekend heeft ze alles wat ik niet heb.

Naast een volle boezem vermoed ik lange nagels waarmee ze dagelijks de vellen van zijn rug schraapt voordat ze samen bezweet in slaap vallen.

Ze heeft geen last van slapeloosheid (ik wel).

En ze is natuurlijk heel erg intelligent.

Dit bedacht ik terwijl ik een keer om twee uur 's nachts vanaf de overkant van de straat in de plenzende regen onder een kapotte lantaarnpaal treurig naar zijn huis staarde.

Mijn afgespoelde mascara verdween in een olieachtige plas boven het overgelopen riool.

Dichterbij kan je niet komen

dichter lichter is je blik

lichter gerichter je gebaren

morgen verborgen je begeerte

wist je maar was je maar

het zal niet gebeuren

weg troebel water

dit is mijn zicht.

'Je hebt een man nodig', vond David toen hij het hoorde.

'Ik wil geen man nodig hebben,' zei ik.

'Nee, je wilt hem niet nodig hebben, maar je wilt hem wel.'

Dat vond ik een waarheid als een koe.

'Bied jij je aan?'

'Ik! Ha! Maak het even. Ik moet nu hangen.'

Geen fatsoenlijk antwoord is ook een antwoord.

Eerder vroeg ik nog of hij het ooit op een datingsite geprobeerd had.

Nee, hij niet.

Waarom dacht hij dan dat het iets voor mij was.

'Omdat alles beter is dan een hond uitlatende onbereikbare man.'

Blijkbaar valt hij niet onder de noemer 'alles.'

Het begint op zo'n site met een introductie.

Wilde ik een eerlijke introductie, een alles bij elkaar geblufte introductie of een originele introductie waarbij waar/nietwaar onbelangrijk is.

Dag mooie man. Ja, ik heb het tegen jou. Als je je aangesproken voelt is er niets mis met je ego. Als je je niet aangesproken voelt ben je onzeker of een realist.

Ik heb niet het recht om op zoek te gaan naar een mooie man, want er valt op mijn uiterlijk best wat af te dingen. Misschien zou ik me er niet meer druk over moeten maken, maar als je met een 'zie ik er wel goed uit gen' geboren bent, heb je levenslang.

Het zijn met name onzekere vrouwen die hiermee kampen. Ik ben een onzekere vrouw. Kan jij daarmee omgaan? Ik kan op zich goed met onzekere mannen omgaan, maar een relatie is toch een ander verhaal. Volgens mij zijn onzekere mannen lastiger dan onzekere vrouwen. Van ons wordt het bijna verwacht, terwijl jullie het moeten compenseren en zie eens wat dat de aarde gebracht heeft. Honger en oorlog.

En de bankencrisis natuurlijk.

Dan de nickname. Ook al zo'n gedoe.

Ik kwam er niet uit en was zo druk aan het denken dat ik bijna onder een auto kwam.

De bestuurder begon op me te schelden. Hij had harde muziek aan en de raampjes waren dicht.

Ik zag alleen zijn bewegende lippen en meende daar het woord 'takkewijf' uit te destilleren.

Meteen wist ik wat mijn nickname zou zijn. De reacties waren matig:

Hallo Twijgje, ik kwam je proviel tegen en heb er harteluk om moeten laggen. Je hebt gevoel voor huumor, dat spreekt me aan. Warom noem je jezelf Twijgje? Heeft hopelijk niets met spenken te maken ;-)

Het leikt me leuk om iets af te spreken met je, ik zie dat we in dezelfde provinsie wonen. Oja, ik ben dislekties.

Groet, Reebus.

Beste Reebus,

Fijn dat je mijn profiel waardeert. De jouwe mag er ook zijn.

Ik maak alleen liever geen afspraak met je. Ik heb al een relatie gehad met iemand die dyslectisch was. Zijn dyslexie was één van de dingen die ik charmant aan hem vond.

Er kan er maar een de mooiste, leukste en liefste dyslecticus zijn. Misschien heb ik het nog niet helemaal verwerkt. Veel plezier op deze site, Twijgje.

Verder:

Ha die Twijg

als ik jou lees

dan nijg

ik naar diep

enthousiasme

dus beste meid

verras me

ontmoeten we

in een door jou

gekozen ambiance?

misschien het begin

van een

hete romance.

Je dichtnicht (geintje).

 

Bij nader inzien vind ik een imaginaire vriend een uitstekend alternatief.

'Is je hoofdpijn over?'

Ik slaak een gil en laat mijn mes op de grond vallen, dat net onder de boter zit.

Zal je hem hebben.

Toverbal zit in kleermakerszit op de grond. Hij is groter dan eerst.

'Sorry dat ik je weer laat schrikken. Daar moet ik nog iets op zien te vinden.'

Hij krabt zich achter zijn oren die eruit zien als aronskelken. Waar ik overigens een hekel aan heb, aan aronskelken.

'Heb je iets te drinken in huis?'

Heb ik iets te drinken in huis. Weet ik veel, ik ben met trillende handen boter van de vloer aan het vegen.

'Waar hou je van.'

'Sneezebelletjes met geeldamp.'

O, dat.

'Ik heb bier. Lust je bier?'

Dat lust hij.

Uit veiligheidsoverwegingen gooi ik het naar hem toe. Dat zal wel gaan spuiten als hij het blikje open maakt. Maar er gebeurt niets.

Toverbal schenkt me een knipoog en neemt een grote slok. ‘Weet je, ik ben het product van je verbeelding.’

'Ach. Sinds wanneer drinken hallucinaties mijn bier op?'

'Een verbeelding is geen hallucinatie. Een verbeelding is een creatie. En in een creatie kan alles.'

'Dus ik zit het me allemaal te verbeelden, te ...'

Hij corrigeert me. 'Nee, je bent aan het creëren. Aan het scheppen. Maar een schepper heeft wel verbeelding nodig.'

Is dat zo.

Toverbal laat een boer. En nog een.

Impulsief sta ik op.

'Kan ik je aanraken?'

Hij kijkt me twijfelend aan: 'Ik weet niet of ....'

Voorzichtig steek ik mijn hand uit richting zijn arm. Er knettert iets en ik deins achteruit.

'Helaas ..' hij schudt zijn hoofd, 'je bent er nog niet klaar voor. Heb geduld, we groeien wel naar elkaar toe. Misschien moet je eerst mijn ware vorm eens zien.'

Zijn ware vorm. Daar zal je het hebben. Ik schuif wat richting de deur.

Glanzend bolwerk onder spanning

vormen frummelen in ’t geniep

prutsend tussen weke delen

heb genoeg van de bemanning.

Toverbal vouwt zijn bierblikje op alsof het een servetje is en knoopt iets dicht dat een jasje zou

kunnen zijn. 

Mijn aandacht wordt afgeleid door een geluid bij de buren en met dat ik mijn hoofd omdraai is hij opgelost.

Vooralsnog heb ik dit vriendje voor geen meter onder controle.

Buikschuif  is te bestellen bij de boekhandel, uitgeverij Van Warven, of online.

  • w-facebook
  • Twitter Clean
  • w-youtube