Novelle

Geen voorkant zonder achterkant. 

  Voorwoord

Hoe zeg ik in een voorwoord iets wat ik liever weglaat en toch gezegd wil hebben?

Het is een dilemma. Maar ik hou vol, want tegen het einde van deze proloog ben ik eruit.

De aarzeling zit hem erin dat ik je misschien op het verkeerde been zet. Je zou zomaar kunnen denken dat deze novelle gaat over iets waar het niet over gaat. Toch zit dat iets er stiekem een beetje in. Een klein beetje. Echt een heel klein beetje.

 

Met dat iets verwijs ik naar mijn moeder. Ze is in het jaar 2000 gestorven omdat haar bestaan onleefbaar gemaakt was door de meest beruchte ex-neuroloog van Nederland.

De handel en wandel van deze uit zijn ambt ontheven specialist is uitgebreid uit de doeken gedaan tijdens de grootste medische strafzaak ooit.

Na haar dood raakte mijn beginnende schrijfcarrière volledig in het slop. Waar ik voorheen lichte stukjes schreef, zat ik nu klem in de zwaarte. Uiteindelijk, jaren later, werd de aandrang te groot; er zat veel in mijn hoofd dat eruit wilde. Nog eens jaren had ik nodig om de combinatie van fictie en feiten die je nu in handen hebt, naar tevredenheid af te ronden.

 

In mijn zoektocht naar een uitgever werd er weleens gezegd: waarom schrijf je niet over wat er met je moeder gebeurd is? Dan heb je de uitgevers voor het kiezen. Los van het feit dat me dit geen goede reden leek om over mijn moeder te schrijven, lukte het gewoon niet. Ik zat te dicht op het drama, het werd kitsch.

 

Daarentegen voegde mijn moeder zich heel gemakkelijk in Buikschuif. En zo heeft haar situatie een vanzelfsprekend en bescheiden plekje gekregen. Ze was een bescheiden vrouw. Niet mijn favoriete formulering, maar ze klopt wel.

Dus al gaat deze novelle niet over haar, ze is er toch mee verweven. Heel soms zul je haar onversleuteld tegenkomen in een zin, een opmerking, een passage.

Als een stukje glas in omgespitte aarde waar af en toe het licht op valt.

Hieronder enkele passages uit het boek om, naast Jona, kennis te maken met de belangrijkste personages.

De man.

Het is rustig op de afdeling. David komt na een bescheiden klopje mijn kamer binnen en laat zich zakken in de stoel bij het raam. Hij gluurt zo onopvallend mogelijk naar mijn beeldscherm.

'Alles goed hier?'

'Zeker. Ik ben net aan het schrijven dat jij binnenkomt.'

'Mag ik het ..'

'Dat willen schrijvers nooit. Je zult moeten wachten tot het af is.'

'Dus ik kom er ook in voor?'

'Een klein beetje maar. Tenzij je dat niet wilt.'

'Jawel.' Hij krabt eens stevig in zijn kruis. 'Als je maar geen gekke dingen over me schrijft.'

'Nee hoor. Ik zou niet weten wat.'

'Het is lekker buiten, ga je mee eindje lopen.'

Mmm. Eindje lopen …

'Oké.'

 

 

David is een gevoelige man met een overzichtelijke hobby waar hij verder heel geheimzinnig over doet. Verder is hij niet vreemder dan ik, hij heeft zijn specialisaties.

Elke keer als zijn mobiel afgaat verstijft hij in zijn handeling, welke handeling dan ook en blijft daarin volharden tot het weer stil is.

'Waarom zet je hem niet uit,' vroeg ik eens.

'Ik moet toch bereikbaar zijn?' antwoordde hij.

 

We lopen het bosrondje. Andere rondjes zijn er eigenlijk niet.

Er zijn gelukkig veel variaties op het rondje. Het kleine rondje. Het grote rondje.

Het medium rondje. Het medium rondje plus bonus. Dat is inclusief een uitstapje door een gat in het hekwerk, waarbij je een klein beetje de buikschuif moet doen om er onderdoor te komen. We kunnen er ook komen door gewoon om te lopen, maar aangezien we permanent op de vlucht zijn voor iets, sluit dit beter aan bij onze belevingswereld.

Tussen de beuken pauzeren we even. We gaan er bij zitten, David draait een shaggie.

Hij leunt achterover en kijkt me met toegeknepen ogen aan terwijl hij langzaam de rook uitblaast.

Ik kijk graag naar hoe hij rookt, op de één of andere manier weet hij er iets aantrekkelijks van te maken.

'Ga je morgen ook naar …'

'Dat ben ik wel van plan.'

'Vind je het goed als ik …'

'Geen probleem.'

Hij heeft de gewoonte vragen half te stellen.

Het is zacht buiten, ergens in de verte roffelt een specht.

David dooft zijn peuk tussen de wortels van de beuk waar hij tegen aanleunt.

We zitten hier vrij vaak en ik hoop dat de beuk geen nicotinevergiftiging oploopt. Of een verslaving, stel je voor. In gedachten zie ik hoe de boom om een shaggie begint te jengelen.

Ik vertel het hem en we moeten er samen om lachen. We staren veel voor ons uit.

En soms heel even naar elkaar.

'Weet je ...'

Ik spring met een gil overeind, begin woest van me af te slaan en op en neer te springen.

'Wat is er!'

'Een spin, een spin, er zat een spin op mijn been … '

'Ja, Jezus, je zit in het bos!'

'Nou en!'

'Het is maar een spin, die doet niets ...'

Daarover ga ik al lang niet meer in discussie. Een spinnenfobie is alleen te begrijpen door degene die er aan lijdt.

Ik ga weer zitten.

'Wat wilde je zeggen?'

'Wilde ik wat zeggen?'

Hij draait een nieuw shaggie.

David buigt zich er lang en diep overheen, zijn aansteker hapert.

Het begint te waaien.

We hebben alle tijd.

De psychiater. 

 

Fred pakt een glas uit de kast naast de deur en schenkt water uit een karaf op een manier alsof het whisky is. Hij is een whiskydrinker, dat kan niet missen. En er ontbreekt een knoopje aan zijn overhemd.

'Wil je ook wat water?'

'Graag.'

Hij knikt me bemoedigend toe.

'Je bent alweer een tijdje thuis, kan je je draai een beetje vinden?'

Er schiet een gedachte door mijn hoofd, ik spreek hem meteen uit:

'Hoeveel openingszinnen bestaan er eigenlijk. Heb je een top drie?'

Fred kan gelukkig goed schakelen. 'Daar heb ik nog nooit over nagedacht.'

'En als je er wel over nadenkt?'

'Dan is dat zeker niet iets om het hier over te hebben'

'Kan ik me voorstellen, het is een erg intieme vraag.'

'Nu ben je wel sarcastisch.'

'Aha, je hebt mijn mail gelezen.'

Hierom praat ik graag met Fred. Ik hou van zijn snelle geest. Dat is niet alle psychiaters gegeven.

'Ik heb je mail gelezen ...' Hij pauzeert even ...' Het is een interessante gedachte. Natuurlijk heb ik er moeite mee, ik zie niet graag zoiets over het hoofd. En ik trek nog geen conclusies, we zullen het moeten uitzoeken, daar gaat tijd overheen. Er komen vragenlijsten aan te pas, een interview en een heteroanamnese.'

Ik hang aan zijn lippen. Actie! Daar hou ik van. Als ik niet te moe ben tenminste.

'Wat is een hetero eh ...'

'Een heteroanamnese. In dit geval een gesprek met je vader of je broer of zus, om te horen hoe je als kind was en hoe ze je ervaren hebben.'

'Daar ben ik dan toch zeker wel bij mag ik hopen?'

'Daar ben je bij.'

Freds blik focust zich op mijn rechtervoet die non-stop rondjes draait. 'Gaat het?'

'Ik dacht dat je me een zeur zou vinden. Dit valt me weer mee.'

'Je zou er mee geholpen zijn als je je minder bezighoudt met wat anderen van je vinden.'

'Natuurlijk. Maar eerst gaan we hetero's aannemen.'

Geen reactie. Ik doe te lollig.

'Even wat anders. Hoe is het met je angstgevoelens.'

'Dat varieert. Ik kan er geen peil op trekken. Volgens mij is het echt iets fysieks. Laatst had ik er wat meer last van.'

'Maak je er wel eens contact mee zoals we de vorige keer besproken hebben?'

'Mwah.'

'Je zou proberen iets op papier te zetten. Is het daar nog van gekomen?'

Onwillig haal ik mijn schouders op. 'Iets ja.'

'Heb je het bij je?'

Ik rommel wat in mijn tas en haal er een smoezelig schriftje uit.

'Het is maar een klein stukje.'

 

Dag zwaar vervuilende angstgolf. Wat heb je toch te zoeken in mijn lijf. Weet je wel hoe groot Nederland is. Niet groot genoeg voor een miljard Chinezen nee. Maar er is echt heel veel plek voor angstgolven. Je kunt overal naartoe. Zeker op het platteland en als je niet van rust houdt, ga dan in de brandstoftank van een Jumbo zitten. Zoveel ruimte en dan toch bij mij parkeren. In al mijn organen sluipen. Mijn spieren tot pap kauwen en mijn hersens blokkeren. En wat levert het je op?

Ik ben veel te braaf voor je. Mijn angst haalt de kranten niet en ik spring niet voor een trein. Om jou ga ik echt de geest niet geven. Jij hebt niet eens een geest. Achterlijke mutant.

 

Er wordt op de deur geklopt. Een verpleegkundige steekt haar hoofd om de hoek.

'Sorry Fred, spoedgeval. Je pieper staat niet aan.'

'O nee?'

Hij is tevreden. 'Ga zo door,' zegt hij als we afscheid nemen.

Daar moet ik over nadenken.

'Je hoort nog van me over de tests, ik maak er werk van.'

Met energieke tred (de Fred-tred) loopt hij de kamer uit.

 

 

De vage entiteit.

'Is je hoofdpijn over?'

Ik slaak een gil en laat mijn mes op de grond vallen, dat net onder de boter zit.

Zal je hem hebben.

Toverbal zit in kleermakerszit op de grond. Hij is groter dan eerst.

'Sorry dat ik je weer laat schrikken. Daar moet ik nog iets op zien te vinden.'

Hij krabt zich achter zijn oren die eruit zien als aronskelken. Waar ik overigens een hekel aan heb, aan aronskelken.

'Heb je iets te drinken in huis?'

Heb ik iets te drinken in huis. Weet ik veel, ik ben met trillende handen boter van de vloer aan het vegen.

'Waar hou je van.'

'Sneezebelletjes met geeldamp.'

O, dat.

'Ik heb bier. Lust je bier?'

Dat lust hij.

Uit veiligheidsoverwegingen gooi ik het naar hem toe. Dat zal wel gaan spuiten als hij het blikje open maakt. Maar er gebeurt niets.

Toverbal schenkt me een knipoog en neemt een grote slok. ‘Weet je, ik ben het product van je verbeelding.’

'Ach. Sinds wanneer drinken hallucinaties mijn bier op?'

'Een verbeelding is geen hallucinatie. Een verbeelding is een creatie. En in een creatie kan alles.'

'Dus ik zit het me allemaal te verbeelden, te ...'

Hij corrigeert me. 'Nee, je bent aan het creëren. Aan het scheppen. Maar een schepper heeft wel verbeelding nodig.'

Is dat zo.

Toverbal laat een boer. En nog een.

Impulsief sta ik op.

'Kan ik je aanraken?'

Hij kijkt me twijfelend aan: 'Ik weet niet of ...'

Voorzichtig steek ik mijn hand uit richting zijn arm. Er knettert iets en ik deins achteruit.

'Helaas ...' hij schudt zijn hoofd, 'je bent er nog niet klaar voor. Heb geduld, we groeien wel naar elkaar toe. Misschien moet je eerst mijn ware vorm eens zien.'

Zijn ware vorm. Daar zal je het hebben. Ik schuif wat richting de deur.

Toverbal vouwt zijn bierblikje op alsof het een servetje is en knoopt iets dicht dat een jasje zou

kunnen zijn. 

Mijn aandacht wordt afgeleid door een geluid bij de buren en met dat ik mijn hoofd omdraai is hij opgelost.

Vooralsnog heb ik dit vriendje voor geen meter onder controle.

De zus

Ik vul mijn dagen met vrijwilligerswerk en af en toe deurposten kwasten in het huis van mijn zus die luistert naar de naam Karina. Dit luisteren moet je letterlijk nemen, want ze geeft alleen gehoor als je haar naam volledig uitspreekt. Gelijk heeft ze. Drie lettergrepen zijn het waard om voor te vechten. Vooral omdat haar naam op Karenina lijkt en ze een sterke voorkeur heeft voor Russische literatuur. Karina heeft desondanks geen enkele voorkeur voor een leven (laat staan het einde) dat overeenkomsten vertoond met die van Tolstoj's Anna Karenina. Haar eigen leven biedt voldoende drama.

We hebben wel meer gemeen, zoals onze uitgebreide lijst aan fysieke en psychische klachten en onze behoefte aan een rustig leven in een opgeruimd vrijstaand huis ergens tussen een glooiende roggeakker en een weiland met paardenbloemen.

Niet alle behoeften worden vervuld. Maar haar deurposten geven tijdens de angstaanvallen structuur. Houten latten hebben een begin, een einde, vorm. En vooral: ze hebben me nodig. Dat iets in deze wereld, al is het maar een deurpost, mij nodig heeft doet me goed.

De complete novelle Buikschuif  is verkrijgbaar via de boekhandel, uitgeverij Van Warven, of online.

  • w-facebook
  • Twitter Clean
  • w-youtube